Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
HANDLEIDING tot üen
terug brengt op de heerfchende zeden en
gevoelens van den tijd, met welke de lezer
of hoorder bekend is, en die aantrekkelijk voor
hem zijn.
§. 146. De fophist brengt verblindende ftel-
lingen, bewijzen en voorbeelden ter bane, waar-
aan de partij derzelver goedkeuring niet
weigeren kan: hij laat die eerst erken-
nen en wendt ze dan terftond op het onderwerp
in gefchil aan. Hij heeft ook dikwijls de looze
befcheidenheid, den toehoorder z e 1 v e n de u i t-
fpraak over de waarheid van de voorgedragene
zaak over te laten, maar heeft reeds alles in her
werk gefteld, om hem voor te bereiden en voor
de zaak ongemerkt te winnen.
S 147. Het is eene fophistifche kunstgreep,
liever de zwarigheden van eene ftelling aan te
toonen, dan dezelve regelregt te wederleggen.
5 148. Eene gewone kunstgreep is het, een
gevoelen belagchelijk te maken, in plaats
van hetzelve te wederleggen of het tegengeftelde
te bewijzen.
§ 149. Dikwijls hoort men den fophist groo-
te mannen tot gezag in de te bewijzen ftelling
aanvoeren, en het als belagchelijk voorftellen,
dat men wijzer wil zijn dan deze mannen; of
men beroept zich op het gezond verftand, op de
oudheid en algemeenheid van het beweerde, en
laat niet na daarbij aan te merken, hoe wel