Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 57
zaak welwillendheid in te boezemen.
Ten einde het gevoelen, dat der zaak nadeelig is,
uit te wisfchen, of oni een gimftig denkbeeld voor
dezelve op te wekken, trachte men de toegere-
4vcnde gebreken als ongegrond voor te ftellen of
te verontfchuldigen, en het goede in een helder
licht te plaatfen.
§ 131. Het is een hoofdregel, van de gronden
tot de overreding over te gaan. Men moet
eerst het verftand overtuigen alvorens men het
hart winnen wil.
S 13a. Met het wenden van de rede tot de
verbeeldingskracht, of, naar gelang der omftandig-
heden, tot het gevoel, vertoont zich de leven-
digheid, en deze zal dan onfeilbaar, als het
verftand beflist heeft, de zegepraal voltooijen.
§ 133. De voordragt moet zoo eindgen, dat
men de levendigfte en voor de zaak vocrdeeligfte
indrukken te weeg brenge. Dit doel kan fn fom-
mige gevallen het best bereikt worden, door eene
beknopte herhaling der hoofdzaken van de gan-
fche voordragt, in andere, door de voorftelling
der gedachten, welke de laatfte afdeeling van de
bewijsrede zelve aan de hand heeft gegeven, of
ook door het aanknoopen van verwantfchapte
denkbeelden, welke met den geest van het geheel
in een ongezocht verband ftaan. De herhaling
van het bewijs moet evenwel niet in een nieuw
bewijs ontaarden.