Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 49
§ 102. Tegen eenen onwetenden verdedigt
men zich, wanneer men deszelfs onwetendheid doet
kennen. Eenen gevolgtrekkingmaker verwaardigt
men met geene verdediging, maar bewijst alleen,
dat hij ongepaste gevolgtrekkingen maakt.
§ 103. Men tast of de ftelling of het be-
wijs eener ftelling aan. In het laatfte geval laat
men de waarheid of valschheid van eene ftelling
onaangeroerd; want al worden er verfcheidene be-
wijzen écncr ftelling wederlegd, zoo kan er toch
nog een ander mogelijk zijn; maar hij, die eene
ftelling wederlegt, wederlegt ook al derzelver be-
wijzen.
§ 104. Al worden ook alle bekende bewijzen
voor eene ftelling wederlegd, zoo volgt derzelver
valschheid nog niet; want eene onderwerpelijk on-
gegronde ftelling is nog geene valfche ftelling. Slechts-
het beweren, dat men derzelver waarheid inziet,
is-valsch.
§ 105. Wederlegt men iemand met onderwer-
pelijke gronden (ex concesfis), zoo overreedt men
hem (en de wederlegging heet ad hominem);'
wcderlcgt men hem daarentegen met voorwer-
pelijkc gronden, zoo overtuigt men hem (en de
wederlegging heet ad veritatem.)
§ 106. Ieder geding kan op tweederlei wijze
gevoerd worden: of men bewijst zijne ftel-
ling, of men wederlegt de gronden der
partij. Wederleggen wij alleen de gronden, wel-
D
1
ir-i rfu