Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
ï62 .HANDLEIDING tot den^
niet behoeft te denken, dan noemt men het een
ontegenfp rekel ijk (apodictisch) bewijs.
§ '8a. Daar zulk een bewijs niet altijd mogelijk
is, moeten wij ons dikwijls, in plaats van met
ontwijfelbare grondftellingen, met vooronder-
ftellingen (hypothefen) behelpen, dat is,
zulke ftellingen, welke eenen grond zonder be-
wijs aannemen; dewijl die daarna door de waar-
heid zijner gevolgen bewezen zal worden, of ftel-
lingen , waarvan men de waarfchijnlijkheid aanneemt,
om iets anders, waarvan de wezenlijkheid niet
te bewijzen is , daaruit te verklaren.
§ 83. Om deugdelijk te zijn, moet eene vootT
onderftelling niets tegenftrijdigs in zich
bevatten; tegen geene erkende waarheden aan-
druifchen; met de omftandigheden overeenftemmen ,
die zich bij de zaak, welke men daaruit verklaren
wil, opdoen; onder alle andere vooronderftellingen,
die van eene zaak voorhanden zyn konden, de
rijkfte en eenvoudigfte zijh;, en geene nieuwe hulp-
onderftelling behoeven, om daardoor hare waar-
fchijnlijkheid zelve eerst te bewijzen.
§ 84. Ziet men op de f t 0 f der bewijzen, zoo
hebben zij ten doel onze rede te overtuigen, of
door de inzage in den zamenhang van algemee-
ne denkbeelden en grondftellingen, of door het
gevoel, dat is, door zintuigelijke waarneming,
waartoe de ondervinding de gronden oplevert.
De eerfte worden bewijzen a p r i 0 r i of door de