Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. 41
3. Soorten van bewijzen. Vooronderjltllingen.
§ 78. Het r e g t f t r e e k f c h e (directe) be-
wijs toont de waariieid eener ftelling onmiddellijk
aan, dat is, uit inzigt der gronden, b. v. vrije we-
zens zijn vatbaar voor toerekening; de mensch is
etn vrij wezen: dus is hij vatbaar voor toereke-
ning.
$ 79. Het omgekeerde (indirecte) bewijs
toont de waarheid eener ftelling middellijk, door
de valschheid of dwaling van het tegengeflelde te
doen blijken. Men bewijst, b. v. de ftelling:
de mensch is een vrij wezen, wanneer men voor
een oogenblik het tegendeel aanneemt: gefield
dat de mensch niet vrij ware, zoo zoude men hem
noch eene deugdzame daad als verdienfte, noch eene
booze daad als misdaad kunnen toerekenen: de be-
looning van de eerfte zoude eene dwaasheid, de
Jlraf der laatfte eene wreedheid zijn. Deze bewij-
zen toonen, dat uit het aannemen van het tegen-
deel gevolgen voortvloeijen, welke met erkende
waarheden ftrijden, eri waardoor men derhalve tot
ongerijmdheden (in abfurdum} vervallen zoude.
S 80. De fterkfte en overtuigendfte kracht ligt
inde verbinding van beide leerwijzen, als
men van de indirecte tot de directe over-
gaat.
§ 81. Wordt een bewijs zoo gemaakt, dat
men aan het tegendeel van dc bewezene ftelling
C 5
I II
iitil