Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
40 HANDLEIDING tot den
2. Vorm der bewijzen.
§ 74. Met betrekking tot den vorm, onder-
fcheidt men den opkHmmenden (progresfiven)
bewijstrant van den afdalenden (regresfiven).
S 75. Begint men met het befluit of het oor-
deel, dat men bewijzen wil, en lost hetzelve in
twee voorafgaande oordeelen op, zoo lang tot de
voorafgaande oordeelen geene verdere oplosfing
behoeven, zoo bedient men zich van de afda-
lende of analytifche manier, b. v.
Alle vrije wezens zijn vatbaar voor toerekening;
alle redemagtige wezens zijn vrije wezens; alle
menfchen zijn redemagtige wezens; Pieter is een
mensch: dus is Pieter vatbaar voor toerekening.
S 76. Begint men bij de voorgaande oordee-
len, en laat het befluit het laatfte volgen, zoo
maakt men een opklimmend of fynthetisch
bewijs , b. v.
Pieter is een mensch ;
alle menfchen zijn redemagtige wezens;
alle redemagtige wezens zijn vrije wezens ;
alle vrije wezens zijn vatbaar voor toerekening :
dus is Pieter vatbaar voor toerekening.
§76. De opklimmende bewijstran? gaat
van de voorwaarden tot de gevolgen, van de gron-
den tot de uitkomften (refultaten) over; de afda-
lende betreedt eenen tegengeftelden weg.