Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 37
ö). Elk lid der verdeeling is een denkbeeld,
dat aan het verdeelde ondergefchikt is, en heeft
dus kkiner' omvang. B. y. natuurlijke flraf
heeft eenen kleineren omvang dan firaf,
b.') De verdeeling moet volkomen zyn, dat Is ,
de leden der verdeeling moeten den omvang van
het verdeelde denkbeeld geheel vervullen. In: do
ftrafen zijn of ligchaams- of geldftrafftn,
ontbreken de eertßraffen. Er mag ook geen lid
overtollig zijn: ßraffen zijn ligchaamsßraffen,
gddßraffen, eerftrafen cf verwij tingen.
c.) De leden der verdeeling moeten zoo onder-
fcheiden zijn, dat zij elkander wederkeerig uitflui-
ten, en mogen dus niet in elkander begrepen
zyn. De ßraffen zijn of geldft raff en of on-
regtvaardige ßrafen, is met dezen regel
ftrijdig; VFant gddßraffen kuHHen ook anregt'
vaardige ßraffen zijn.
5. Ontbinding en onderfcheiding,
S 67. Van de verdeeling verfchilt de on t b in-
ding en onderfcheiding. De ontbin-
ding is de voorfl:elling van een zaniengefl:eld ge-
heel, herleid in zijne beftanddeelen, als: het men-
fchelijk ligchaam beßaat uit vaste en vloeibare
deelen,
§ 68. Men onderfcheidt, wanneer men de ver-
fchillende beteekenisfen van een en hetzelfde woord
bepaalt; b. v. door het woord band verßaat
C 3