Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
508 handleiding tot den
of ftudien, dit alles zijn onderwerpen , die men
in zulke gevallen ten nutte kan maken.
S 543. Heeft men van perfoonlijke bekenden
reeds brieven in handen, dan fchikt men zich,
zoo veel mogelijk, naar den door hen zelven ge-
bezigden toon. Aan vrienden en bloedverwanten
fchrijft men in denzelfden toon en in dezelfde uit-
drukkingen, waarvan men zich bij het mondelijk
onderhoud met hen bedient.
S 944. Schrijft men over zijne eigene za-
ken, zoo behoort men met de grootfte zedigheid
van zich zelven te fpreken, en zijne verdienften niet
willen verheffen; ook verraadt het eene groote
eigenliefde, wanneer men veel van zich zelven
fpreekt.
5 945. Beklaagt men zich, zoo moet zulks
op eene eenvoudige wijze gcfchicden, zonder het
ongeluk, dat ons bejegent, of de onbillijkheid,
die men ons aandoet, te vergrooten.
§ 946. Uit dit alles blijkt, dat de brieven een
maatftaf van het gevoel voor het wei-
voege lijk c zijn, namelijk in de onderfcheidene
behandeling van perfonen, wien men vriendfchap
of liefde, en van zulken, wien men achting en
eerbied fchuldig is.
§ 947. In eiken brief moet eene juiste en na-
tuurlijk opvolging van gedachten heer-
fchen. Eer men (Jen brief begint, overdenke men
derhalve , wat men te fchrijven hebbe, en bren-