Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
502 HANDLEIDING tot den
plaatfen is men alsdan gewoon wat binnenwaarts
te plaatfen, te onderfchrappen, of door andere
teekens te onderfcheiden.
§ 933. Is de verfchijnende opgeroepen of ge-
daagd, zoo moet hij eerst met het onderwerp der
oproeping bekend gemaakt, en daarna over de-
zelve gehoord worden. De hoofdzaak is, dat er
geene wezenlijke tot de zaak behoorende omftan-
digheid overgeflagen worde. .
S 934. De omftandigheden, welke de zaak
toelichten, moeten veelal door vragen verkregen
worden. Lieden uit den zoogenaamden lageren
ftand ftellen dikwijls hunne belangen onduidelijk,
verward en zonder zamenhang voor; daarom moet
men alvorens met fchrijven te beginnen, de zaak
zoo lang met hen befpreken, tot men met dezel-
ve in orde is.
S 935. Alle verkortingen, door- en
uitfchrappingen, alsmede invoeging van
woorden, en dergelijke meer moeten vermeden
worden. Behalve dat dit onaangenaam en onge-
fchikt is, geeft het ook grond tot het vermoe-
den, dat dergelijke veranderingen niet door die-
genen gemaakt mogten zijn, wien het ftuk be-
treft, waardoor dit alzoo in geloofwaardigheid
verliezen moet, en waarom ook de wet zelve zul-
ke gebreken uitdrukkelijk verbiedt. Is het ech-
ter niet tnogelijk dergelijke dingen te vermijden
zoo vordert de wet, dat men op de onbeschre-