Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJl. sö9
een te ingefpannen en te aanhoudend nadenken
ontftaat, waardoor eenigermate het vermogen
verloren gaat, om de zaak nog van eene ande-
re zijde te beschouwen. Hierdoor kan der goede -
zaak zeer veel'nadeel toegebragt worden.
S 917. Te voren (S 88, 89 cn 90, alsmede
§ 780) is reeds over de plaatfing en fchik-
king der bewijsgronden gefproken. In
het bijzonder is hierbij nog aan te merken, dat de
verdediger zich moet wachten, van overtollige en
wijdloopige gronden voor tc dragen; dewijl het
geheugen daardoor overladen, en het onderwerp
te zeer gefmaldeeld wordt, hetwelk de opmerk-
zaamheid, ter omvatting der weinige maar over-
tuigende en wel uiteengezette gronden noodza-
kelijk , te zeer vermoeit.
5 918. Dc bewijsgronden worden in dezelfde
orde voorgedragen als de afzonderlijke te bewij-
zen zaken, zonder dat men zich bij de opgave der
gronden aan eenen vasten vorm verbindt. Zoo
vangt men fomwijlen dadelijk met de uitfpraak der
wetten aan, ketent hieraan eerst de enkele daad-
zaken, cn vergelijkt dan ten flotte de daadzaken
elk in het bijzonder met de afzonderlijke wetten,'
en leidt daaruit gevolgen af; of men ftelt eerst juist
zoo de daadzaken voor, bewijst dezelve, bréngt
dan de wetten bij, en rangfchikt de bewezene
daadzaken onder dezelve.
§ 919. In hec algemeen zijn er twee ver-