Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. 489 '
belang der voordragt bcgnnfliigen of verminderen ^
kan, zich geheel in de plaats des hoorders of
lezers ftelt. In alle gevallen behoort echter eene
inleiding vermeden te worden, die gezocht of plat,
te lang of te onbelangrijk is, of in geen verband
ftaat met de voor te dragen zaak.
§ 911. Na de inleiding, wanneer deze al nood-
zakelijk is, volgt de opgave der daad-
zaak (expositio facti). Dit is eigenlijk de grond-
vest des gebouws, op welke men tot het punt
opklimt, waaruit den regter het licht der over-
tuiging ten helderfte tegenftraalt. Om dc daad-
zaak doelmatig voor te dragen, moet men, met
kennis der uiterlijke kenteekenen van waarheid of
waarschijnlijkheid, de enkele daadzaken behoorlijk
weten te fchikken, en geheel ongemerkt, als
lichtende punten, diegene doen uitkomen, aan-
welke men zijne deductie of defenfie verbinden
wil. Hierbij is het noodig, met bevalligheid en
eene aan de zaak passende afwisfeling te kunnen
verhalen, nu eens naar den aard der zaak aan-
eengefchakeld, dan weder ft uks ge wijze
met invlechting van het bewijs, de deductie of
defenfie. Voor dit gedeelte geldt de algemeene
regel, dat zoo dikwijls hij, die voordraagt, met
reden bezorgd kan zijn, dat zekere daadzaak op
den regter eenen eenigzins nadeeligcn indruk kan
maken, men aan denzelven geenen tijd moet laten
om zich in te wortelen; maar uit de regtsontwik-