Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCWEW STIJL. 485
di gin gen (defcnfien). Ell^e onuviklceling eener
regterlLjke zaak of eener regterlijke betrekking is
eigenlijk wel eene deductie; maar volgens het
fpraakgebruik verftaat men door deductie het
volkomen en grondig uit elkander zetten van een
regtsgefchil voor het geregt, of eenige andere
openbare aangelegenheid voor het publiek, van
de laatfte foort zijn de manifesten zie (5 818.)
De eerfte heten deductie n in den eigenlijken
zin van 't woord, wanneer derzelver onderwerp
eene burgerlijke (civile) zaak, en defenfien,
wanneer het eene lijfftrafFelijke (criminele) zaak
betreft. De deductien hebben de meeste over-
eenkomst met de gedenkfchriften, onderfcheiden
zich echter van dezelve daarin, dat men bij de
laatste bijzonder den perfoon in aanmerking neemt,
aan wien de voordragt gerigt is; bij de eerfte
daarentegen zich aan de zaak houdt.
§ 905. De hoofdvereischten eener gron-
dige deductie zijn , dat men de juiste gron-
den opzoeke, en zich bij dezelve bepale.
Daarbij zal het blijken, of de zaak zuiver gereg-
telijk (juristifch) zij, dan of de ftaatkimde, de
poline, de ftaatshuishoudkunde daarmede iets te
doen hebbe. In deze wetenfchappen zoeke men
de grondftellingen, op welke men de zaak denkt
te bouwen, en ftelle, wanneer zich verfeheidene
gezigtpunten aanbieden, de zaak uit elk derzelve
zoo voor, dat, door het wederkeerige onderfteu-
H h 3