Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
454 HANDLEIDING tot den
beding naauwkeurig bij te voegen , onder welk
hec zal uitbetaald worden, en dit vervolgens aan
het nader onderzoek en dc beflisfende omfl:an-
digheden willen overlaten. ^Vaar bij het algemeen
zulke twijfelingen over den onzekeren uitflag der
zaak ontfl:aan kunnen, daar is de belofte zoo goed
als niet gedaan. Hieruit heeft men den regel;
dat men ook bij zulke beloften met de uiterfl:e
voorzigtigheid behoort te werk te gaan, en dat
bet raadzamer is, zoodanige flechts in het alge-
meen uit te drukken, om na gedaan onderzoek des
te gepaster te kunnen beloonen.
§ 849. Wat de waarfchu wingen, be-
dreigingen en ft raffen, bij verordeningen
bepaald, betreft, zoo kan men niet ontkennen,
dat zij dezen een zeker plegtig aanzien geven,
eenen hoogeren graad van werkzaamheid mededee-
len, en de betrekking bepaaldelijk doen kennen,
welke cr tusfchen den wetgever en de onderdanen
plaats zal grijpen. Dan ook hier verijdelen ligt
verkeerde middelen het goede oogmerk , en men
moet ook hier met de grootfte voorzigtigheid en
beleid, de bepaling eener ftraf wikken.
§ 350. De wetgevers dwalen namelijk veeltijds
daarin, wanneer zij gelooven, dat de fterkfte
middelen ook het fterkfte moeten wer-
ke n. Dc ftrengfte en zwaarftc ftraffen worden
juist het minfte gevreesd; dewijl men weet dat zij
tüch niüt n aar derzelver ganfche geftrengheid vol-
dlH