Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nedkrl axdschen stijl. 453
oogmerk vereischt. Meer Iaat zich in het alge-
meen hierover niet zeggen, dan dit nog, dat
zulke aanmoedigingen immer groote uitvverkfelcn
zullen hebben, als de met nadruk uitgefprokene
bevelen, vooral in zaken, welke grootendeels
van den goeden wil der burgers afliangen, en
waarin aan derzelver willekeur een vrije loop ge-
laten moet worden; daar het in hunne magt ftaat,
tegen het bevel tc handelen, zonder te vreezen,
dat men hen ontdekken zal.
S 847. De bepaalde beloften, dat men geld,
prijzen, bevorderingen, eereteekens, enz. aan
diengenen zal uitdeelen, welke de gcgevene ver-
ordening ftiptelijk en naar g^veten opvolgt,
hebben het goede, dat in het bijzonder zulke
burgers lot naijver worden opgewekt, wien het,
uit gebrek aan befchaving, aan edeler beweeg-
redenen ontbreekt. Zij brengen echter ook aan
den anderen kant het kwade te weeg, dat zij
de eigenbaat aanzetten, en dikwijls zelfs tot be-
driegerijen aanleiding geven, waardoor de goede
bedoelingen des wetgevers ook by de betergezin-
den kunnen verwoest worden.
§ 848. Op beide deze zaken moet men der-
halve wel acht geven, en zich eerst de vraag
voldoende beantwoorden, of het met het bedoelde
oogmerk overeenkome, eene belooning in geld of
dergelijke toe te zeggen. Ook moet men niet inhet
algemeen eene zekere fom beloven, zonder er het
F f 1