Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLAJ^DSCHEN STIJL. 44.5
heid,' en daar ieder bürger het ftaatsdoel erlvent,
zoo kan bij het daarftellen van den vorm der wet
zelve het oogmerk niet zijn, om diegenen, welke
men in verpligting wil ftellen, door gronden te
onderrigten of te overtuigen.
§ 827. Een en ander wordt als geheel overtol-
lig aangemerkt, daar het in het gezond verftand
des burgers met regt veronderfteld wordt. Hier-
uit blijkt, dat in de wetten, vorm en uitdrukking'
juist bepaald en gebiedend zijn moeten.
5828. De bepaaldheid vereischt niet
flechts algemeene verftaanbaarbeid, maar ook zul-
ke uitdrukkingen, welke de vervvisfeling met
overeenkomftige denkbeelden volftrekt onmoge-
lijk maken. De vervaardiger eener wet moet dus
in de keus der uitdrukkingen met de uiterfte om-
zigtigheid tc werk gaan, dewijl de wet voor al-
len is. In elke wet, die voor alle burgers van
eenen ftaat verbindend zijn zal, moet men zich
naar de ftrengfte regels van den ftijl gedragen.
De juist bepaalde hoofdgedachten eener wet mocT
ten zoo veel mogelijk zamengedrongen, en al-
les , wat niet onmiddellijk tot het oogmerk dien-
ftig is, afgefneden worden. Het gebiedende
en verbiedende moet liggen in de kort-
heid en juistheid van het gebod en verbod, en
in de uitdrukkingen, die op den wil het fterkfte
werken.
S 829. Door verordeningen verftaat men