Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 21
. cenige rijken zijn goddeloos ;
ieder goddelooze is verachtelijk i
dus zijn eenige rijken verachtelijk.
§ 43. Daar de eerde figuur de natuurlijkfte en
gebruikelijkfte is, en ook de fluitredenen der drie
overige zich ligt in die der eerfte laten verande-
ren; zoo kan men de laatfte wel ontberen.
3. Stof en vorm der fluitredenen.
§ 44. Eene fluitrede, waarin eenige afwijking
van de waarheid verborgen ligt, noemt men eene
drogrede (fophisme), b. v. wat ik niet verlo-
ren heb, bezit ik nog; eenen juweekn ring heb ik
niet verloren : dus bezit ik dien nog.
Het bedrog kan in de ftof of in den vorm
gelegen zijn; weshalve tot eene deugdelijke fluitre-
de vereischt wordt, dat deze beide goed zijn.
§ 45. De ftof eener fluitrede is vervat in de
premisfen, welke waar moeten zijn, om een waar
befluit uit dezelve te kunnen afleiden. De ken-
nis der zaken zeiven, over welke wij oordeelen,
levert ons de ftof tot eene fluitrede.
Die kennis moet ons leeren of de voorgaande
voorftellen waar zijn, b. v.
geen dier, dat in het water leeft, is een zoogdier;
de olifant is een dier, dat in het water, leeft:
derhalve is de olifant geen zoogdier.
De natuurlijke gefchiedenis leert ons, dat de
premisfen hier valsch zijn.
\ B 3