Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
s'404 handleiding tot der?
hier aan te merken, dat de vertaling den uitheem-
fchen Ichrijver zoo moet afbeelden, als of hij
oorfpronkelijk in onze moedertaal gefchreven had.
Proeven van dezen aard fcherpen ons oog, om
grondiger de kracht en den geest onzer taal te
leeren kennen.
DERDE AFDEELING.
de eigene oefening.
§ 718. Het derde hulpmiddel ter aanleering van
eenen goeden ftijl is eigene oefening in het
opftellen, door welken weg alleen men de be-
kwaamheid verkrijgen kan om zijne gedachten in
eene goede orde, natuurlijk, bepaald, nadrukke-
lijk en fierlljk voor te dragen.
S 719. Men oefene zich daarom vroegtijdig in
de kunst van zich wel uit te drukken,
en late geenen dag voorbijgaan, zonder eenig
fchriftelijk opftel te ontwerpen. Men rigte zijne
eerfte ftijloefeningen zoo in, dat men dezelfde ge-
dachten nu in den vorm van eenen korten volzin,
dan in de gedaante van eene periode, en dan weder
in alle verfcheidenheid eens zamengeftelden vol-
zins nederftelle.
§ 720. Men vange met het gemakkelijke
aan, en ga voorts trapsgewijze tot het meer
moeijelyke over. Hiertoe zal het raadzaamfte
zïjn, dat men zich in den beginne oefene, in