Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
376 handleiding tot de,'«
menigvuldige gezigtpunten te befchouwen , deze
gedachten met verfchillende bijkomende denkbeel-
den te verbinden, in onderfcheidene betrekkingen
te brengen en op verfchillende wijzen toe te
pasfen ; verder zijne gevoelens op menigvuldige
wijzen te bepalen, te verfijnen, te matigen, cn
zoo in het algemeen onderfcheidene vormen aan
$e nemen.
§ 693. Wie dit verzuimt, of wie bij de ftudie
van enkele fehrijvers blyft ftaan, zal van de ern-
ftigfte vlijt, maar eene zeer matige befchaving
zijner geestvermogens inoogften, en zich in het
bijzonder die vaardigheid van den geest niet ver-
werven . die aan onze kennis , met betrekking tot
derzelver werkelijk gebruik, in de toepasfing eene
zoo uitftekende waarde geeft , en zich daarin
voordoet, dat men zich in vreemde gedachten
gemakkelijk en fnel weet te vinden , en zijne ei-
gene even zoo gemakkelijk uit dat gezigtpunt
weet te betrachten en op die wijza aan te wen-
den, als het gegevene geval juist vereischt.
S 694. Wanneer men zich niet vergenoegt,
met bloot den inhoud te verftaan, maar ook acht
geeft, in welks orde de fchrijver zijne denkbeel-
den verbonden , en het geheel voorgefteld hebbe ,
zoo gewent men zich juist te denken. Zonder
noodig te hebben, zich tot de inzage der wet-
ten , welke het verftand bij het denken volgt, te
vêrheffen, verrijkt m»n zijn verftand met denk-