Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nederlandschen stUl. 391
fchillende ivijzen, naar ieders aard vertoond. Hier
deed zij de oogen fchittcren, daar benevelde zij ze
: met den zoeten dauw der natuur; ginds ßond men
wezenloos, geworteld in den grond, als geloofde
men niet wat men zag. Dezen gloeide het gelaat,
gene verbleekte; de ten berstte los in gejuich, des
anderen ßem fmoorde in het f nikken der overkropte
borst. Den ouders was het, als hadden zij een
kind uit den dood wedergekregen, den mannen een'
broeder, den jongelingen eer^ vader l Wat men
zag en hoorde op de ßraten, vaar eene fchaterende
menigte geen plekje ledig liet, golvend zich voort-
ßuwde en hoeven noch raderen ontzag voor een'
glimlach van den Geliefden: dit wffs nooit aldus
gezien of gehoord; maar aandoenlijker nog, ver-
heffend en verteederend, wat men zag aan de ven-
ßers der woningen, waar de bloem der beide jekjen
zich in reijen en trapsgewijze voorwaarts drong
en duizend doeken zwaaiden, met tranenbefproeid!
Eene dergelijke fchilderachtige befchrijving van Don
Johans intrede binnen Brusfel is te voren (§ 591),
tot een ander einde, reeds bijgebragt.
4. Het gebruik van fnedige en
fcherpzinnige gezegden.
§ 684. Te regter plaatfe en niet te menig"
vuldig aangewend, kunnen fnedige en fcherpzin-
nige gezegden, als blijken dragende van vernuft
en levendigheid van geest, niet misfen te beha-
A a 2