Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
350 HANDLEIDING tot dÉn .
woorden inzien, bevatten, begrijpen, enz., wel-
ke oorfpronkelijk bloote teekens van zinnelijke
voorwerpen waren, ook zekere afgetrokkene denk-
beelden verbonden, voor welke men geene uit-
drukkingen had. Even zoo is te verklaren; door-
dring end verftand; zacht en hard van ge-
moed-, rijp oordeel; brandend van liefde; op-
geblazen van hoogmoed-, hoofd voor aanvoer-
der eener partij, enz.
§ 653. Wijders oefenen onze aandoenin-
gen en hartstogten, benevens onze ver-
beeldingskrachr, eenen grooten invloed op
de taal uit. Zijn deze meer of min opgewekt,
zoo vinden wij eene eenvoudige uitdrukking voor
onze gemoedsgesteldheid te zwak om onze eige-
ne gewaarwordingen aan anderen mede te deelen,
of op de ziel van anderen te werken. Wij zoeken
dus, zelfs zonder daarvan bewust te zijn, naar
eene uitdrukking, die ons in onzen toefi:and vol-
doet, en kiezen alsdan veelal eene oneigelijke
uitdrukking, omdat ons dezelve krachtiger en
aangenamer dan de eigenlijke voorkomt. Zoo
breken wij, bij den dood eens jongelings van
veel verwachting, in de woorden uit: hij ftierf
in den bloei zijner jaren. Wij vinden de een-
voudige uitdrukking; hij jlierf zoo jong , voor
onze aandoening te zwak; en daar het denkbeeld
zelf zich zeer gemakkelijk met de voorftelling
van eene bloeijende plant in onze verbeelding ver»