Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. ' 33$)
plaats, wanneer eene flerkere uitdrukking, door
eene nog fterkere gevolgd en als ware het verbe-
terd wordt, als: -wij hebben geenen dief, maar
eenen roover ; geenen geheimen moordenaar, maar
4en allerwreedften beid voor u gebragt.
§ 626. Eene andere figuur is die, welke toe-
ft aan (concesfio) genoemd wordt en plaats heeft,
wanneer men iets toegeeft, dat de hoofdzaak niet
benadeelt, als: indien gij niet bevindt, dat Inj
trouweloos, dat hij verraderlijk gehandeld hebbe,
zoo verklaar hem voor een deugdzaam man.
§627. De fchimprede (ironia) is die
figuur, waarbij men het tegengeflelde zegt van
betgeen men werkelijk zeggen wil, om door de
ongerijmdheid van het eerfle het laatfte des te meer
kracht bij te zetten. Zoo bezigen wij de f c h i m p-
rede, wanneer wij Nero eenen menfehenvriend,
een flecht dichter ttmvi Vondel, een zwak mensch
eenen Herkules noemen. Even zoo: welk een
gulde tijd voor het tegenwoordige geflacht! welke
hoopvolle uitziften! wat anders allen aanhoudende
jtudie en lange ondervinding geven konden, dat
put thans de gelukkige jeugd met geringe moeite
uit onze rijk voorziene tijdfchriften.
§ 628. De voorafneming (occupatio)
heeft dan plaats, wanneer men eenige mogelijke
of waarfchijnlijke tegenwerping voorkomt en be-
antwoordt, als: men denkt mogelijk dat ik, uit
zucht tot mijn beroep, de godgeleerdheid haren
Y 3