Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
336 HANDLEIDING tot üen'
eene al te groote kortheid fomtijds bcnadeclc?
wordr. Daarom verelfchen zelfs in fommige ge-
vallen de juistheid en gepastheid, dat
men tot bevordering van de kracht der rede zekere
uitvoerigheid betrachte; Zoo zal het te dezen
einde zeer dienftig zijn, zich fomtijds van om-
l'chriivingen te bedienen, om eene gewigtige zaak
nader te bepalen, alle hare eigenfchappen te ont-
vouwen, en alzoo dezelve in vollen nadruk voor
le ftellen; waaruit blijkt, dat kortheid derhalve
niet onalfcheidelijk van de juistheid is. Dc'
juistheid is daarin van de kortheid onder-
fcheiden, dat de eerfte eigenfchap alles verwijdert,
wat niet onmiddellijk ter doelmatige volkomenheid
noodzakelijk is; terwijl de laatfte daarentegen niet
alle voorftellingen uitdrukt, welke op zich zelve
aangewezen zouden moeten worden. De juist-
heid ftaat tegen de w ijdloop igh ei d over,
welke akijd een gebrek is; der kortheid is de
uitvoerigheid tegenovergefteld, welke op zich
zelve geen gebrek, fomtijds noodzakelijk, maar
dikwijls onontbeeriijk is.
§ 613. Ook kan eene verdeeling of ont-
binding van het geheel in zijne deelen, van
het geflacht in zijne foorten (individualifering)
te zelfden einde dienftig zijn, b. v. De beoefening
der wetenfchappen geeft votdfel aan de jeugd ; in
yoorfpoed dreJtt zij tot fieraad, in tegenfpoed tot
toevlugt en vertroosting; te huis ver fchaft zij ons