Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. ' 33$)
werp dihvijh en veel nagedacht, daar over ook
mijne gedachten openlijk door den druk bekend
gemaakt; maar dit mi/n af gedrukt gefchrift
is niet zoo gebruikt en te nutte gemaakt, als
ik geregtigd was te hopen en te verwachten.
(Zie voorts § 575 en 578).
§ 607. Hiertoe behooren ook alle fchadelijke
b ij V 0 e g f e 1 e n , ontijdige om fchr ij vingen,
overmatige uitbreidingen eener gedachte
(tiraden; en overlading van den ftijl met on-
beduidende toevoegfelen (epitheten), bijkomende
denkbeelden en omftandigheden, die de hoofd-
denkbeelden gewoonlijk vergezellen, en er gemak-
kelijk zelve bij gedacht worden. Velen meenen
wel de hoofdgedachte door bijkomende denkbeelden
veel duidelijker en fraaijer te maken, en laten
niet ligt een zeifftandig naamwoord zonder een of
meer bijvoegelijke naamwoorden optreden ; dan zij
brengen veelal niet anders dan een ijdel gebrom
van woorden voort, en benadeelen de kortheid
en bondigheid, welke zoo uitnemend gefchikt zijn,
om den nadruk te bevorderen.
J 608. Spaarzaamheid en juiste keus
bij het gebruik der bijvoegelijke naamwoorden ge-
ven aan den ftijl kracht en waardigheid.
Hiertegen ftrijdt het volgende: elk vrolijk, aange-
naam en verblijdend genot behoort ons waard en
dierbaar te zijn, maar alleen als een jlroom, die
voorbij fnelt-, want willen wij wijsheid bekomen.