Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
346 HANDLEIDING, tot den
. lijken maaltijd fpreken. Eindelijk behoort, bij
de fchriftelijke zoo wel als bij dc mondelinge voor-
dragt , fekfe, ouderdom, levensftand en trap van
befchaving in het oog re worden gehouden.
J 598. De nadruk wordt verder bevorderd
door het vermijden van flaauwe en krachtelooze ,
en het gebruik van nadrukkelijke woorden en uit-
drukkingen, wanneer de gedachten zelve nadruk-
kelijk en treffend zyn. Zoo b. v. van eenen dwin-
geland fprekende, worden de woorden wreedaard,
fnoodaard gepastelijk verwisfeld met de fterkere
benamingen van monjier, fchrik, geefel der mensch-
heid. Zoo is het bijvoegelgk naamwoord onaan-
genaam veel te zwak in de volgende uitdrukking:
zij, die het /laai der vijanden ontkwamen, vonden
in den vloed een onaangenaam einde. Het
belioort door deernis-waardig of eenig dergelijk
woord te virorden vervangen. Aldus is ook ver-
foeijen krachnger dan fchwwen; ontrukken énn ontne-
men ; te hulp fnellen, vliegen, dan te hulp komen.
§ 599. Hiertoe behooren ook zulke uitdruk-
kingen, welke behalve de hoofdgedachte nog eenig
bijkomend denkbeeld bevatten: b. v. wanneer
men de ondankbaarheid de fnoodjle der ondeug-
den noemt, zoo is dit daarom nadrukkelijk, de-
wijl men de ondankbaarheid met andere ondeugden
vergelijkt, en verzekert, dat zij alle in fnood-
heid overtreft. Te zelfden einde is dienftig, het
herhalen van zulke woorden, welke eenig belang-