Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
3i2 HANDLEIDING tot den
in zijne foorten en ondeeligen te ontbinden. Wan-
neer men aldus het enkelvoudige en zamenvattende
in plaats van het afgetrokken denkbeeld ftelt, zoo
worden de zaken aanfchouwelijker en bijgevolg
duidelijker voorgefteld, trekken de aandacht meer
tot zich, en laten alzoo eenen dieperen indruk
achter. De uitdriikking: men moet de menfchen
zien handelen, om hen te leeren kennen, wint wer-
kelijk in klaarheid, door de volgende voorftellingi
men moet den ambachtsman in zijne werkplaats ,
den koopman op zijn kantoor, den reg ter in zijne
regtzaal, den flaatsdienaar in zijn kabinet, den
veldheer op het ßagveld gade geflagen hebben,
wanneer men over deze menfchen oordeelen wil.
§ 589. Tot de uitvoerigheid behoort ook
het fomwijlen herhalen der -hoofddenkbeelden,
doch alleen in het geval, wanneer dezelve gedu-
rig voor den geest behooren tegenwoordig te zijn,
cn dan nog met verfcheidenheid van uitdrukking,
om in geene eenvormigheid te vervallen.
S 590. Ter bevordering der duidelijkheid kan
ook bijdragen het gepast gebruik van vergelij-
kingen. Wanneer men b. v. zegt: zijne vrienden
wel te doen wordt met regt voor edel gehouden,
maar hoe veel edeler is het niet jegens zijne vijan-
den weldadig te zijn, wordt de voortreffelijkheid
der laatfte handelwijze, door de vergelijking met
de eerfte meer in het licht gefteld.
§ 591. Even zoo kan eene fchilderachtige