Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. ' 33$)
'itr van den Btlifarius , v/dke zoo beroemd isi,
zynde hier twijfelachtig, wiens beroemdheid
bedoeld wordt. — Dit rijk, hetwelk geheel Eu-
ropa te vreezen had; kunnende beteekenen: dit
rijk 5 waarvoor enz. of rijk, hetwelk voor enz.
Jlet verlies mijns vriends; zijnde een verlies, dat
mijn vriend ondergaan heeft, of dat ik lijd door
zijn' dood enz. Zoo ook: de beleediging, het on-
regt mijns broeders; de liefde van den vorst; het
vermaak van een vrolijk gezdj'chap. Eene korte om-
fchrijving kan hier alle dubbelzinnigheid wegnemen.
§ 587. Niettegenftaande de juistheid op affnij-
ding van al het overtollige aandringt, zoo
hoede men zich echter van, door te veel aan
de juistheid op te offeren, in het gebrek van
droogheid en onbevalligheid te vervallen.
Dit gebrek is zoo verre af van het gevolg eener
welbegrcpene juistheid te zijn, dat deze in tegen-
deel fomtijds eenige uitvoerigheid voi-dert.
Zoo zijn omfchrijvingen veeltijds zeer gepast om
eene gedachte in een treffend licht te plaatfcn.
Niet onduidelijk is b. v. de uitdrukking: de euvel-
moed van onverlaten durft alles fehenden. Nog
duidelijker echter wordt het denkbeeld op deze
wijs voorgefleld: niets is zoo heilig, hetwelk dt
euvelmoed van onverlaten niet durft fehenden.
§ 588. Te zelfden einde is ook dienftig, al-
gemeene begrippen tot meer bijzondere terug te
brengen, het geheel in zijne deelen, het geflacht
X