Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
N E 1>E RL A N DS C M E N S T IJ L. <3x7
men, met betrekking- tot de verbinding der woor-
den, op derzelver onderlinge overeen ft en>-
ming opmerkzaam.
§ 575. Dc bijvoegelijke naamwoorden zijn of
tot de bepaling eens denkbeelds onontbeerlijk, als:
Tnijne jaarlijkfche itikomflen; o^ zï]
de gedachte cn maken dezelve aanfchouwelgker,
als: dc rollende donder. Da bijvoegelijke naam-
woorden moeten dus nooit onbeduidend en over-
tollig gebezigd worden, als: de eerfte oorfprong;
een au de grijsaard; de jonge jeugd; zij moeten
integendeel altijd iets uitdrukken, wat nu eens
tot nadere bepaling, dan weer tot fieraad van het
naamwoord ftrekt.
576. De bijvoegelijke naamwoorden moeten
niets bevatten, dat in het tegenwoordige geval
onverfchillig is, -als: de mensch is in den
was^gelenden oudetdom praatachtigerdan
in de driftige jongelingsjaren.' Hier heeft het
■waggelende en driftige niets met de praatachtig-
heid te doen.
% 577. De bijvoegelijke • naamwoorden moeten
niets oneigenlijks beteekenen, als: de grootfte
uitnemendfte graad of trap; het zoete juk
der liefde. Graden en trappen zijn hpog, niet
groot; een juk is nooit hiaar -wtX zacht en
ligt. De gr 0 ot ft e volkomenheid. Folkotnenheid
is reeds het hoogfte cn laat gccne trappen toe.
§ 578. Hetzelfde geldt ten opzigce van dc bij-