Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
3o6 handleiding TOT den-
het voorwerp genoegzaam bepaald. Men fchrijft
dus dit woord met eene kleine letter, als: o broe-
der , in wien ik zoo vroeg al de bekwaamheden van
eenen held zie Jchitieren. — Groote vorst, houd
op met overwinnen, of ik houd op met fchrijvetu
liet is tot u, geftrenge.rigter, dat ik mi) wend.
§ 554. De woorden mijnheer, mevrouw, mejuf-
vrouw moeten insgelijks als gemeene zelfftandige
naamwoorden aangemerkt worden, en dus denzelf-
den regel volgen. Men fchrijve dezelve dus met
kleine letters, wanneer men daarmede iemand aan-
fpreekt, als: aan wien kon^ ik beter dan aan u,
mijn heer, het of er mijner erkentenis aanbieden.—
Ik ben hem alles verfchuldigd, mevrouw, dit moet
ik bekennen. — Te voren hebt gij, mejuf vrouw.
zelve anders gefproken.
s 555' Wanneer men zich echter van deze'
woorden in den derden perfoon bedient, om den
perfoon aan te duiden, tot wien men fpreekt, als-
mede iemand, welken men alleen uit het vervolg
der rede kent, fchrijft men dezelve met eene
groote letter, als: ik verzoek Mijnheer mij
zijne bevelen te geven, voor, ik verzoek u, mijn-
heer, mij uwe bevelen te geven. Ik geloof dat
Mijnheer er van verwittigd is , voor, ik gslocf,
mijn heer, dat gij er van verwittigd zijt.
8e. Regel.
S 556. Elke nieuwe volzin moet met eene
-Mbi