Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. ' 33$)
i el ij ke goederen ; pan [e l ij k e zetel; latiinsch
epfchrift; franfche omwenteling; neder-
landfche vrijheid; het romeinfche volk-^
het mohamm edaanfc h e giloof.
§ 551. De bgvoege'.iike naamwoorden, als
zelfftandige' gebezigd, moeten dezelfde
régels volgen als de gemeene zelfftandige naam-
woorden. Men fchrijft derhalve met eene kleine
letter: de ondankbare, de trouwelooze,
de m eineedige hebben allen iets met elkander
gemeen. — Na een heilig leven ftierf hij den dood
der regtvaar digenr
§ 552. Het eenige geval, waarin bijvoege-
lijke naamwoorden, als zelfftandige gebezigd,
met eene groote letter behooren gefchreven te
worden, is wanneer z'ij zekere bepaalde beteekenis
verkrijgen, welke niet ujt het fpraakkunftig ver-
band is op te maken. De Onftcrfelijke fpreekt.,
cn gij vreest de woede van eenen Sterveling. Dd
onfterfelijke beteekent de Godheid, en een [ter-
veling doelt op zekeren geweldenaar. Desgelijks;
de Ecu vfig e is zijn naam. Daarentegen: de
eeuwige, afwisfeling van geluk en ongeluk.
y; •r- B^egci.
■ c" , ■ »
5 553- Wanneer men iemand met een gemeen
zelfftandig naamwoord aan fpreekt, zoo is door
het gebruik, dat men van dit woord maakt, om'
den perfoon, tot wien men fpreekt, aan te duiden,
V