Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. aS^)
beding, dat hij de vader zij tier onderdanen zij.
De tiisfchenredenen (parenthefen) moeten echter,
als gewoonlijk eenig gebrek in den ftijl verradende,
zoo veel mogelijk vermeden worden.
5. Het afdeelingsteeken (paragraaf) (S).
§ 525-. Het afdeelingsteeken, meer ge-
woonlijk onder den naam van paragraaf be-
kend , gebruikt men , om in de wetenfchappelijke
voordragt zekere rustpuntci'. en afdeelingen^ tc heb-
ben , waardoor men de opvolging van eenigzins
onafhankelijke gedachten of de fcheiding van die
reekfen van volzinnen aanduidt, welke , als ware
het, een onafhankelijk gebied hebben. In de
ftreng wetenfchappelijke voordragt gefchiedt zulks
nog daarenboven, met aanwijzing van de aflianke-
Ujkheid der volgende paragrafen van de voorgaan-
den. Van het eerfte leveren de paragrafen van
dit werk voorbeelden genoeg op; voor het laatfte
kan het volgende dienen.
5. i. De volkomenheid van elk fchepfel bejlaat
'in de grootfle ontwikkeling en uitbreiding van
zijnen geheelen aanleg en van al zijne krach-
ten, tot de gezametilijke bedoelingen van zijn
aanwezen.
' § 2. Deze gezamenlijke bedoelingen zijns aan-
wezens (J 1.) noemen wij zijne bejiemming.
§ 3. Deze bejiemming (§ 2.) is bij redelijke
•wezens eene denkbeeldige zaak {ideaal), of een
Éi