Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. aS^)
dronk. Hij leide mes en vork neer. Hij ßond
op. Hij ßopte eene pijp. Hij ging in den tuin.
Gebrek aan zamenhang is hier oorzaak van tc
groote verfnippering der volzinnen, waartegen tc
voren (§ 450.) reeds gewaarfchuwd is.
d.) Daar in het algemeen door voegwoorden
niet alleen voorftellen, maar ook gehcele volzin-
nen verbonden kunnan worden, zoo ftaat het
pimt ook fomtijds voor en, als: hij duldde, leed
en kampte. En vat was nu zijn loon voor al
deze injpanning.
11. Zint e eken s.
i. Het vraagt teken (.?).
S .521. Het vraagteeken wordt geplaatst:
a.) achter die regiftreekfche (directe) vragen,
als: waar woont gij? Hij zeide tot mij: waar
hibt gij u zoo lang opgehouden? Uit welk land
van Europa zijt gij ? hernam hij. — Dt maat-
fchappij der wetenj'chap^en heeft de vraag opgege-
ven: door welke middelen kan de befchaying ten
platten lande bevorderd wordenl
b.) In zijdelingfehe (indirecte) of enkel verha-
lende vragen plaatst men dit teeken niet, als:
ik vraagde hem, waar hij naar toe ging.
Wanneer verfcheidene vragen, die alle tot een«
zelfde reeks van gedachten behooren en onder-
ling zamenhangen, zoo op elkander rolgen, dat
tusfchen de middelfte- vragen enkel aen komipa-
S 3