Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
274 HANDLEIDING tot drn
i. voorb. Het is eene droevige waarheid, dat
de beste menfchen gewoonlijk met de zwaarfte ram-
pen te wordelen hebben» (Algemeen o f' h o o f d-
voorftcl, dewijl het van geen voorafgaand voor-
ftel afhangt.) Deze waarheid, hoe drukkend de-
zelve ook zij, moet echter deugdzame menfchen
niet neerjlagtig maken, maar derzelver moed ver-
hoogen, (Ondergefchikt voorftel, van het
voorafgaande algemeen voorftel afliangende, en
door hetzelve verklaard en bewezen wordende ; —
onmiddellijk o nd c rg ef chik-t, als, zon-
der tusfchenkomst van eenig voorftrel, uit het
naastvoorgaande hoofdvoorftel voortvloeijende.)
De ware moed eens wijzen bejlaat derhalve in
de vaste gemoedsge/leldheid, met welke hij ^s levens
rampen tegentreedt. Ondergefchikt voor-
ftel, maar middellijk, namelijk, door mid-
del van het tweede aan het eerfte — aan het
tweede onmiddellijk ondergefchikt.) Wie
nu den naam van eenen wijzen verdienen wil,
verhef e zich tot zulk eene denkwijze, en tot
zulk eenen moed. (Ondergefchikt voorftel,
maar middellijk aan het tweede en eerfte, en
onmiddellijk aan het derde ondergefchikt.)
Wil men beproeven of de onderlinge onderge-
fchiktheid der voorftellen naauwkeurig zij, zoo
moet men de denkbeelden, welke zij bevatten, als
elkander opvolgend afzonderlijk kunnen voorftel-
len, b. v.