Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm
NEDERLANDSCHEN STIJL. aS^)
alles te bereiden, wat zij tot hun levensonderhoud
noodig hebben; dat wij aan haar zelfs alles ver-
fchuldigd zijn, wat ons ligchaam verkwikt en
voedt, en onzen geest opklaart en onderrigt? Hier
had reeds na onderjleunen een vraagteeken moeten
ftaan, indien niet de voortzetting der rede dezelve
tot het einde had doen befparcn. Hoe diep gevoe-
len wij ons bij onze dwaasheden bejchaamdhoe
geweldig door dezelve ter nedergedrukt en ver-
pletterd 1 Ilier is het uitroeptcekcn , dat na be-
jchaamd moest volgen, lot aan het flot befpaard
en door een kommapunt vervangen.
e.) Men plaatst ook een kommapunt bij rcdeneer-
kunftige verdeelingan, wanneer elk hoofddeel of
ook elk onderdeel op zich zelve opgegeven , maar
evenwel als gelijkgeordend met de overige
onderdeelen, ten opzigte van het geheel, gedacht
wordt, b. V.
Trekken uit het beeld van een regtfchapen man.
1.) Hij koestert nooit een te groot gevoelen van
zich zeiven;
2.) hij kent geen eigenbelang',
3.) hij houdt niet op goed te doen, al wordt
hij ook miskend-,
4.) hij verfchoont de fouten van anderen; enz.
ƒ.) Eindelijk plaatst men een kommapunt, wan-
neer het daarop volgende eene wezenlijke, maar
als voorftel op zich zelve ftaande, verklaring van
het voorgaande is, als wanneer dit daarop vol-