Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
270 handleiding tot den
ling reeds door kommaas gefcheidene, begrippen
met eikander verbonden en verder voort-
gezet worden, zonder zich echter onderling
als voor- en nazindeel tot elkander te verhouden,
plaatst men insgelijks een kommapunt, als: niet
altijd handelen y/ij naar de blinde aandrift des
ligchaams en naar het vermögen der indrukken,
die de voorwerpen op ons maken; dikwijls is het
ons mogelijk, deze indrukken en deze aandrift
te wederflaan, zoodra wij flechts ernßig willen;
dikwijls is het ons mogelijk, het tegendeel van dat
gene te doen, waartoe zij ons aanzetten; dikwijls
is het ons mogelijk, in twiifclachtige gevallen onze
keus uit te ftellen, en dezelve van rijpe overweging
te doen voorafgaan-, zelfs zijn wij ons bewust, dat
wij onwillekeurig werkzaamheden beginnen , cn ,
zonder door iets bepaald te worden, de eigene on-
afhankelijke oorzaken van zekere werkingen zijn
kuwjen.
'd.j Het kommapunt ftaat by nazindeelen, wan-
neer het eigenlijke daar achter behoorende teeken
b. V. een vraagteeken of een uitroepteeken) eerst
aan het flot der geheele rede geplaatst
wordt, als: kan het ontkend worden, dat alle
dingen in de wereld wijs zamenhangen ^n elkander
onderßeunen-, dat derzelver veranderingen niet
anders zijn, dan eene onophoudelijke ontwikkeling
van alle foor ten van leven en vorming', dat zij
alle daarop uitkopen, om voor de levende wezens
. ^ .. . . ^^ ■„iin-T ■ ir-r.....iiii