Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nederlandschen stijl. aS^)
deeld y/erd. Hij, die ons dezen aanleg gegeven
en ons daardoor tot volkomenheid beftemd heeft.
Hij heeft noch verfland noch geld. Toen ik
nog te huis -was. De jongen of het meisje zal
hier komen. Wi c of dit gezegd heeft ? Dat weet
gij zoo goed als uw broeder. Het leven gaat
voorbij gelijk {.als) een droom. . Hiertoe behoort
ook het woordje om, onmiddellijk gevolgd door
de onbepaalde wijze eens werkwoords, en in een
onmiddellijk verband ftaande met eenig onder-
werp , als: ik vertrek om hem te zien. Dit-
zelfde geldt, als het woordje om gebruikt wordt
ter omfchrijving van eenig zamengefteld woord,
als; het vermogen om te kennen, voor, het ken-
vermogen. Het glas om te branden, voor, het
brandglas,
e.) Voor de voegwoorden plaatst men eene
komma, wanneer zij geheele voorftellen
zamen verbinden, als: de man leefde vrolijk in
de flad, en de vrouw woonde flil op het land. Ik
heb u fleeds geëerd en geacht, en bemin u thans van
ganfcher harte. Voor dit laatfte en flaat eene kom-
ma , dewijl de voorftellen, uithoofde van de verfchil-
lende tijden der v^erkwoorden, onderfcheiden zijn.
Hoe moeten alle menfchelijke bedoelingen met elk-
ander vereenigd, naar welke regels zamengevoegd
worden, en welke van alle bedoelingen is de laat-
fte en hoogfle, waaraan de overige ondergefchikt
moeten zijnl Hij heeft mij gevraagd, of ik
R
mm