Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
24S HANDLEIDING TOT den
delijden het lot dier ongelukkigen. Ik heb al-
tijd voor zijne woede gevreesd. Hij heeft
dikwii Is zij nen haat tegen mij nen b roe-
der ten fterkfle uitgedrukt (*).
öT.) Men plaatst geene komma voor de voeg-
woorden, wanneer zij enkele woorden of
deelen van voorftellen zamen verbinden, als: God
heeft ons tot deugd en gelukzaligheid beftemd*
Sedert dit bekend gemaakt en aan allen medegc-
(*) Dit wijkt geheel af yan den regel, door sommigen
gerolgd, om alles, -wat niet tot een enkelvoudig voorstel
behoort, af te scheiden, en dus alle bijwoorden en verdere
omstandigheden tusschen kommaas te plaatsen. Deze zouden
het laatstgemelde voorbeeld aldus schrijven j hij heeft, dil-
wrjls, zijnen haat ^ tegen mijnen broeder^ ten sterkste ^
doen blijken^ Deze manier, door velen als de duidelijkheid
bevorderende aangemerkt, komt ons voor juist het tegendeel
te bewerken; want de menigvuldige deelen, welke alzoo ont-
staan, vermoeijen onzes erachtens den geest veeleer, dan dat
■zij denzelven verligten, en lateu hetgene redeneerkunstig za-
men behoort, moeijelijk rereenigen, als in liet yolgende voor-
beeld, dat wij ergens aantroffen ; Ä7 J^Hom, met zyn volk ^
den iPolj en drangt terstondj door rook en vlammen^ tot
0en onaanzienlijk huis, in eene zijstraat^ door y spoedde
ziek naar binnen ^ enz. Hier valt, door de menigvuldige
afscheiding, gevoegd bij het woordje door voor rook en vlam'
jnen^ niet dadelijk in het oog , dat het laatste door tot drang
behoort. Ook ontstaat uit zulk eene zinscheiding niet zelden
dubbelzinnigheid, als in het voorbeeld; hij heejt ^ dikwijls^
zi'nen haat ^ euz. , alwaar het twijfelaclitig is of bedoeld
Worde de haat ^ welken hj den broeder toedraagt ^ of wel
'zeieren haat j in een gesprek met den broeder uifgedruk-{.
Al
Éfi