Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nederlandschen stijl. aS^)
Vlijt, naarftigheid; ook
van vlijen, neervlijen.
Vlood, van vlieden.
VV^and, de muur.
Wed , van wedden; ook
paardenvved.
Wee, 0 wee!
Week, weeken, zaeht
maken.
Weezen, ouderloozen.
Wijden, toewijden, wij-
der maken.
Wild, gedierte.
Ijken, iets merken.
Zee, de Nwrdzee,enz.
Zijl, waterloop.
Zweed, volksnaam.
Vleit, van vleijeii, flee-
men.
Vloot, vlootvoogd; —
en vloot, van vlie-
ten.
Want, voegw.; — ook
handfehoen; — en
touwwerk eens fchips.
Wet, van wetten; feherp
maken ^ — leefregel.
We, in plaats van wij.
Week , weken, verloop
. van zeven dagen. ,
V/ezen, zijn.
Weiden, vet weiden.
Wilt, van willen.
Eiken, eikenboomen.
Ze, in plaats van zij.
Zeil, fcheepstuig.
Zweet, van zweeten.
4. Uitheemfche woorden.
§ 507. De woorden, welke uit eene andere
taal ontleend en bij ons als nederlandfche
aangenomen zijn, fchrijve men overeenkom-
ftig met de fpelling van nederlandfche woorden,
als: agent, artikel, farizeer (huichelaar), glo-
rie, kabinet, kanaal, kanfelier, kantoor, kastoor.