Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEllLANDSCHEN STIJL. 253
Loof, loove , mal. Loof, yan loven, prij-
zen,
Loover , loovers, gehla- Lover , iemand die
derte. prijst.
Loozen, in gocldeloo- Lozen, losfen.
zen. enz.
Meede, zeker kruid. Mede, met; — ook ze-
kere drank.
Meeren , feheepsy/oord. Meren, v/aters.
Mijd, vö// mijden. l^lód, vrouwelijke dienst-
bode, en mijt, hout-
Jlapel, kaasworm en
penning.
Milt, in ^smenfchen lig-
chaam.
Moet, vlak, fmet; ook
werkw.
Naar, volgens; ook be-
weging' naar eene
plaats.
Nijgen, buiging van *f
ligchaam.
Nog, zamenhindend Noch, uitjluitendvoegw.
Mild, milddadig*
Moed, dapperheid.
Na, iets dat volgt.
Neigen, hellen.
voegw.
Nood, noodigen.
Pond, gewigt.
Noot, noten , neuten,
zekere vrucht } ook
noot, zangnoten.
Pont, platbodemd vaar^
tuig.