Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
234 HANDLEIDING tot ben
hozen, die men aan
de beenen doet.
Joolen, jool.
Kleinooden, klehiood.
Klooten, kloot.
Knoopen.
Koole , kool, kooien ,
een bekend gewas. —
Onderfcheiden van ko-
le, kool, fteenkolen.
Koonen, koone, koon.
Koopen.
Kooper, iemand, die
koopt. — Onderfchei-
den van koper, zeker
metaal.
Kroonen.
Loochenen.
Looden, in alle heteeke-
nisjen.
Loogen, van loog, in
de loog zetten. —
Onderfcheiden van lo-
gen, leugen.
Loomer, loom.
Loonen, beloonen.
Loopen.
Loover, loove, loof,
mat, mtde, ookloa-
ver, looven , loof,
gebladerte. — Onder-
fcheiden van lover,
prijzer.
Looze, loos, zeker touw;
ook doortrapt, als:
loozeftreek; desgelijks,
hetgeen niet wezenlijk
bejlaat, b. v. eene
looze deur.
Loozen, loos, in: god-
deloozen, enz. — On-
derfcheiden van lozen,
losfen.
Moolik, fchrikbeeld.
Mooren, moor.
Mooten, moot.
Noode, nooden.
Noodigen.
Onderhoorig.
Onnoozel.
Oogen, oog.
Oolijk.
Oomen, oom.
Oonen, jongen werpen.
Ooren, oor.
Pooten, poot. — Onder-
Jcheiden van poten,
planten.