Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 219
Geepen, geep, zekcre
visc/i.
Geercn, in alle heleeke-
nisfen.
Gecfelen.
Geheele, geheel.
Gcmeener, gemeen.
Gereedelijk, gereeder
Graveelig, van graveel.
Greelen, greel.
Greenen, greenenhout.
Hangereelen , hangcreel.
Ileelen , genezen. — On-
derfcheiden van helen,
verhelen, verbergen.
Heemen, heem.
Heepen , heep. — Soort
van hakmes.
Heeren, heer, in: mijne
heeren! enz. Onder-
fcheiden van heren,
heer, groote menigte.
Heefcher, heesch.
Heeten, 'zoo vel in de
beteekenis van: noe-
men , als van heet
maken.
Houweelen, houweel.
Interdeele, nadeel, fcha-
di.
Juweelen, juweel.
Kameelen, kameel.
Ivaneelen . van kaneel,
zekere indifche boom-
fchors.
Kanteelen, kanteel.
Kapiteelen, kapiteel.
Kasteeien, kasteel.
Kateelen, kateel, meu-
belen, huisraad, goe-
deren.
I\eelen, keel, jlrookvan
eene plank. — Onder-
fcheiden van kelen ,
keel, deel van het
dierlijk ligchaam, en
van kelen, keel (kiel),
linnen over rok.
Keeren.
Keete , zoutkeeten. —
Onderfcheiden van ke-
ten, ketting,
Kleeden.
Klee men, met eene lijm -
achtige Jlof toemaken,
do9n kleven.
Kleene, kleen, kleine,
Kneeden.
Korbeelen, korbeel.