Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLARDSCHEN STJJL. 215
fcherplang in boomen, ßroomen; — u is kort in
dun, lang in zuur, vuren.
§ 470. Alle in de uitfpraak verlengde, en op
eenen medeklinker rtiiitende klinkers, moeten ver-
dubbeld worden, als: daad, paard, y/eek, voor,
duur. Zoo ook schrijve men aar, haar, meer,
heer, oor, oorbaar, en niet met ai, ei, of oi.
Insgelijks, bij zamentrekking, blaan, paan, daan,
flaag, goon, voor bladen, paden, daden, ßa-
'^'gt goden. De u, door de w gevolgd worden-
de , ondergaat echter geene verdubbeling , fchoon
zij als verlengd voorkomt, b. v. uw, fchaduw,
gehuwd, enz. In alle andere gevallen gebruike
men eenen enkelen klinker, als: dag, dagen, da-
den, parel, met, de, leven, wereld, min, dom,
komen, bedrogen, zot, dun; met uitzondering
van die woorden, welke de fcherplange c of 0
hebben. Deze alleen moeten altijd met ee of 00
gefchreven worden.
2. Zacht- cn fcherplange e en 0.
S 471. De volgende regels kunnen dienen ter
onderfcheiding van de zachtlange en fcherp-
lange e en 0.
§ 472. De zachtlange e heeft plaats: 1.) in
ongelijkvloeijende werkwoorden, als: lezen, tre-
den, wij leden van lijden; gelegen van liggen.
2. In werkwoorden , welke eenen langen ftaart,
of twee korte lettergrepen op het einde hebben,
O 4