Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 207
§ 44^. Ter bevordering der evenredigheid en
oplclimming plaatfe men, wanneer een volzin uit
twee leden beftaat, het langfte aan het einde, om-
dat de volzin aldus verdeeld gemakkelijker is uit te
fpreken, en het kortfte lid bij overgang tot het
tweede beter in de gedachten gehouden kan wor-
den , en alzoo het verband van beide leden dui-
delijker wordt ingezien, als: wj vleijen ons,
dat wij onze driften verlaten hebben, wanneer zij
ons verlaten hebben. Beter: wanneer onze driften
ons verlaten hebben, vleijen wij ons, dat wij haar
hebben verlaten.
5 449. Hetzelfde geldt ten opzigte van volzin-
nen, die uit meer dan twee leden beftaan. Men
zorge in het algemeen, dat de leden niet te veel van
elkander verfchillen, en make dezelve zoo, dat
de laatfte leden in lengte toenemen. Ten voor-
bedde kan het volgende ftrekken: wanneer, 0 reg-
ters, eenig vernuft in mij is, welks bekrompenheid
ik zelfs zeer wel gevoele, of wanneer ik eenige oefe-
ning van welfprekendheid heb, waarmede ik erken
mij piet weinig te hebben onledig gehouden, of
wanneer eenige uit de getrouwe beoefening der
beste wetenfchappen ontfprotene befehaying mijn
eigendom is gev/orden,' welk doel ik betuig in ieder
tijdperk mijns levens voor oogen gehad ie hebben,
zoo is deze man geregtigd, de vrucht van alh
deze voordeden van mij terug te vorderen.
f*) Deze volzin is ten opzigte van den 'Vom, met