Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
2o6 handleiding tot den
vele uitbreidingen , bijkomende denkbeelden en
tusfchenzinnen, in kleine volzinnen kunnen uit-
gedrukt worden, waardoor dezelve in klimmend
belang zoude gewonnen hebben. Op het onge-
lukkige niet alleen in den aanvang moest het
maar ook volgen, betwelk eindelijk het overige
van den langen volzin na zich fleepte.
S 446. In de verbinding der volzinnen moet
verfcheidenheid heerfchen, dat is, lange
en korte volzinnen moeten elkander afvvisfelen,
en tusfchen de volzinnen, alsmede tusfchen de
leden en woorden derzelve behoort zekere even-
redigheid en opklimming in acht genomen te wor-
den. Zoo moet, wanneer twee dingen met elk-
ander . vergeleken of tegen elkander overgefteld
worden, in de laatfte leden en woorden des vol-
zins , zekere gelijkheid en evenredigheid van denk-
beelden en uitdrukkingen plaats hebben, als:
de f potters houden het ?net dengenen, die het mees-
te geest doet blijken, het ernftige gedeelte
des menschdoms met dengtnen, die de verßandigße
redenen aan zijne zijde heeft. Beter: de ernfligen
met dengenen enz.
S 447. Bij de opklimming moet men zor-
gen , dat eene flerke uitdrukking nimmer door
eene zwakkere gevolg worde; zoo behoort men,
na het noemen van heiligfchennis, van geene
dieverij, of na roof en moord , van geene brood-
dronkenheid^ dartelheid of medml te gewagen.