Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nederlandschen stijl, ipr
den grooten Schepper, zoo wordt het verband met
den tusfchenzin noodzakelijker.
§ 436. Wegens omftandigheden, vreemd aan
het onderwerp, en wegens gebrek aan een-
heid derhalve zijn de volgende volzinnen ver-
werpelijk : Tillotfon Jlierf in dat jaar. Hij was
bij uit/lek bemind, zoo van koning Willem als van
koningin Maria, wélke Tennifon, hisfchop
van Lincoln, tot zijnen opvolger be-
noemden. Niemand zal het laatfte gedeelte van
dezen volzin als een gevolg van het eerfte aanmer-
ken. In deze onaangename omjiandigheden, zoowel
ten opzigte van zijn huifelijk leven, als van zi/n
openbaar karakter, werd Cicero nog daarenboven
door een nieuw en. bitter ongeval ter neder gejla-
gen, door den dood nadelijk van zijne geliefde
dochter Tullia, welke voorviel niet lang na hare
echtfcheiding met Dolabella; wiens zeden en
geaardheid in het minst niet met de
hare overeenftemden. Hier is de aanmer-
king over het karakter van Dolabella aan het
hoofdonderwerp geheel vreemd. — Nog groo-
ter fchennis van dezen regel is er in het volgende
gepleegd: de togt der Grieken, onder Alexander,
ging door een onbebouwd land, welks wilde bewoners
foberlijk leefden, daar hun geheele rijk-
dom beftond in eene foort van kleine
fchapen, wier vleesch tranig en onfma-
N 3