Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 HANDLEIDING tot d[;n
•wij, driedcrlei beteekenis, naar gelang het woord
althans achter Romeinen, of achter vrijheid, of
achter zo'o goed geplaatst wordt.
§ 429. Eene verkeerde plaatfing der betrek-
kelijke voornaamwoorden die, welke,
enz. kan insgelijks tot duisterheid cn onzekerheid
aanleiding geven j waarom men niet te veel
naauwkeurigheid in dit opzigt gebruiken kan. Zoo
wordt de uitdrukking: het is dwaasheid zich te-
gen de ongevallen des levens te willen wapenen, door
de opeenßapcling van [chatten, tegen welke ons
niets dan de Voorzienigheid kan beveiligen, be-
ter aldus uitgedrukt: het is dwaasheid zich, door
de opeenftapeling van [chatten, te wUlen wape?ien
tiCgen de ongevallen des levens , tegen welke ons niets
dan de Voorzienigheid kan beveiligen.
§ 430. Niet minder duisterheid en verwarring
kan het te menigvuldig gebruik der, voornaam-
woorden die, welke, zij, hun enz. veroorza-
ken , b. v. de men[chen zien met nijdige oogen het
goede, hetwelk anderen bezitten, en denken, dat
jtun roem hen verdonkert, en hunne prijs[elijke
hoedanigheden hun in het licht ßaan; en daarom
doen zij al wat zij - kunnen om eenen nevel over-
dezelve tc ver[preiden, ten einde de glans hunner
deugden hen niet verduistere. Dikwijls blijft ter
verbetering in foortgelijke gevallen geen ander
middel overig, dan aan den ganfchen zin eene
andere gedaante te geven, zoodat men de betrek-