Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 handleiding tot d[;n
gaans niet aan het begin eener rede ftaan of,
eene omftandigheid met een voorzetfel, of in het
algemeen eenig deel der rede buiten het onder-
werp in den aanvang van eenen zin gefteld wordt,
als: misjchien zult gij hem vinden. In de
lente wordt de ganfehe natuur verjongd. Hem
is de prijs te beurt gevallen. Omdat gij het
verlangt, zal ik het doen.
§ 421. De derde en laatfte foort van woord-
fchikking, de verbindende genoemd, onder-
fcheidt zich van de beide vorige daardoor, dat
het w^erkwoord, hetwelk bij de verhalende terftond
op het onderwerp volgt, en bij de vragende het-
zelve voorafgaat, hier de laatfte plaats inneemt.
Zij wordt gebruikt in zinsleden, die met andere
vereenigd zijn door tusfchenkomst van een voeg-
woord , betrekkelijk voornaamwoord of eenig an-
der woord, dat eene betrekking kan aanduiden,
b. v. waar, waarbij, van waar, waarom, wat,
hoe, enz. als: hij doet het niet, omdat gij het
hem verboden hebt. De vriendfchap, welke
ik u fleeds toedraag, gebiedt het mij. Hij
Jchreef mij, waar ik hem fpreken kon.
C. Omzettingen en andere geoorloofde
vrijheden in de woordfchikking.
§ 423. Wij zijn aan de regelen der tot hiertoe
voorgedragene woordfchikking niet zoo gebon-
den, of kunnen, ter bevordering van behagelijke