Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 201
ïieeft plaAts in het volgende zeggen: openbaar
uwe geheimen alleen uwen vrienden.
§ 411. Als een vervoegd werkwoord twee
tweede gevallen bij zich heeft, ftaat dat, hetwelk
het eigenlijke voorwerp beteekent voor het ande-
re, als: hij noemt den zoon eenen verrader.
Wanneer eenig geval nader omfchreven wordt,
zoo vordert de duidelijkheid, dat deze omfchrij-
ving terftond achter dat geval kome, als prins
Maurits v/on den flag bij Nieuwpoort.
Willem toonde zijn huis in de ftad aan eenen
vreemdeling, dien hij nooit gezien had.
S 41a. Wordt het werkwoord buiten de woor-
den, die het onmiddellijk beheerscht, nog door een
zelfftandig naamwoord met zijn voorzetfel nader
bepaald, zoo ftaan deze laatfte gewoonlijk ach-
ter de eerfte, als: die voorftelling maakte eenen
diepen indruk op onze gemoederen. Zijn dit
bepalingen van tijd, plaats of iets dergelijks,
zoo worden zij dikwerf vooraan geplaatst, als:
dit maakte in die oogenblikken eenen diepen
indruk; doch wanneer het beheerschte woord
een voornaamwoord bij zich heeft, zoo gaat
het gemeenlijk voor, als: ik trof deze oude
vrienden in de fchuit aan.
§ 413. Heeft een werkwoord verfcheidene be-
palingen bij zich, zoo ftaan dezelve in die orde,
dat eene minder fcherpe telkens eene meerder fcher-
pe bepaling voorafgaat, en die woorden het laatst
M 3