Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
176 handleiding tot den
te paard gereden. Men zag de droefheid op
zijn gelaat getcekend. Alle hoop ging verlor en.
Ik ml mij tien last volvoerd hebben. Ik v/il het
kind niet bedorven hebben,
G. Bijwoorden.
§ 398. Somtijds kan liet onzeker zijn, of een
woord als b ij w o o r d of als b ij v 0 e g e 1 ij k
naamwoord moet worden aangemerkt. Alzoo
kan da uitdrukking: hij hefehrijft hem eenvou-
dig , even zeer beteekenen: hij befchrijft hem op
eene eenv oudi ge wijze, als ook: hif be-
fchrijft hem als iemand, die eenvoudig is.
Wordt nu dit laatste bedoeld, zoo moet men de
dubbelzinnigheid door eene nadere verklaring ont-
wijken: als: hij befchrijft hem als eenvoudig,
of als eenen eenv ou di ge n man.
§ 399. De bijwoorden rao eten altijd onmiddel-
lijk bij en doorgaans voor het woord geplaatst
worden, waarbij hunne werking vereischt wordt;
dewijl door verplaatfing des bijwoords dikwijls
een geheel andere zin geboren wordt. Zoo be-
teekent het zeggen: het is mij niet geoorloofd te
gaan, geheel iets anders dan: het is mij geoor-
loofd niet te gaan..
S 400. Om te ontkennen bezige men nimmer
het woordje niet bij een werkwoord, waarin reeds
eene ontkenning ligt opgefloten, als: hij ontken-
de^ dit niet gedaan te hebben, voor hij ontkende.