Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. / 175
de verzwijging van eenige voorzetfels of andere
woorden, als; hij keerde op den derden dag terug*
Hij is de lengte van eenen duim gegroeid. Het
weegt het gewigt van een pond, liet kost de
waarde van eenen gulden,
S 395- Sommige bedrijvende werkwoorden heb-
ben twee qc gevallen bij zich, als: ik noem ^
heet hem mijnen vriend,, en bij derzelver
verandering in den lijdenden vorm ook twee is^e
gevallen, als: hij wordt de brave Hendrik
genoemd.
§ 396* Van een uitgeftrekt gebruik is, bij be-
palingen van gezegden, het weglaten der voor-
zetfels van ^ aan^ enz., als: deze boeken behoo-
ren hun,, voor aan hen. Hij heeft mij veel be-
loofd ^voov aan mij, lem and iets geven ^ ontne^
men,, bevelen,, toezeggen,, enz., voor aan iemand.
Voorts zijner gedenken voor aan hem,, Zich
eener zaak fchamen voor over eene zaak^ enz.
Deze laatste zegswijzen, en eenige weinige andere,
zijn echter alleen in den vcrhevenen ftijl gebrui-
kelijk.
F. Deelwoorden.
§ 397. De deelwoorden worden ook met de
werkwoorden verbonden, als wanneer de eerste
op de wijze van bijwoorden onverbogen blij-
ven, als: ik zag mijnen vriend f ter v ende. De
boeken lagen verfpreid in de kamer. Hij kwam
it-