Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 171
gsn; ik hoor, dat hij geroepen wordt. Hieruit
zou fomwijlen dubbelzinnigheid kunnen geboren
vyorden, welke men door omfchrijving, of op
eenige andere gefchikte wijze, moet trachten te
ontwijken.
§ 386. Achter andere werkwoorden volgt de
onbepaalde wijze met te, zoo dikwerf de betee-
kenis van het eerfte werkwoord flechts eene ftrek-
king of toenadering heeft tot die van het volgen-
de. Derhalve komt het achter begeeren, verlan-
gen, wenfchen, hopen, denken (voornemenszijn),
trachten, zien (trachten), pogen; bereid, ge-
zind, genegen, verpligt zijn; bevelen en gelasten,
heten, gebieden, verbieden, enz. Ook achter
zijn, vallen, hebben en ftaan, om eene mogelijk-
heid of noodzakelijkheid uit te drukken , als: hij
is daar altijd te vinden, d. i. hij kan daar altijd
gevonden worden; 07is ftaat nog veel te duchten,
d. i. wij moeten nog veel duchten. Desgelijks
achter3 het voorzetfel zonder, als: hij vertrok
zonder te groeten', echter zegt men: hij ging
zonder eten naar bed. Eindelijk wordt ook de on-
bepaalde wijze met te gebruikt, wanneer dezelve
het onderwerp der rede uitmaakt, als: het behage
u mij te hoor en; het is mijn pligt u te gehoor-
zamen , of ook : u te gehoorzamen is mijn pligt.
Ten einde het oogmerk of de beweegreden der
handelingen nader tc doen blijken, wordt het
woordje om daarbij gevoegd, als: ik kwam om
u te fpreken.